Bakkerij 't Kroontje: de bron waar het begon
Meer dan honderd jaar geleden nam mijn opa Kronenberg een bestaande bakkerij over, nog vóór de oorlog uitbrak. Wat begon als een ambachtelijk familiebedrijf groeide uit tot een plek van betekenis in Venray. In die tijd telde het dorp tientallen bakkers, maar bakkerij ’t Kroontje bleef bestaan. Ook nadat het pand tijdens de oorlog gedeeltelijk werd gebombardeerd. Na de wederopbouw kwam de gemeenschap dichter bij elkaar. Mensen kwamen niet alleen voor brood, maar ook voor warmte en ontmoeting. De oven werd een plek om handen te warmen en verhalen te delen.
Mijn vader bakte, mijn moeder verbond
Mijn vader kwam uit een gezin van negen kinderen en nam de bakkerij van zijn vader over. Hij stond elke ochtend tussen vijf en zes al in de bakkerij. Mijn moeder runde, naast het gezin, de winkel. Hij bakte, zij verbond. Wat hij kon, kon zij niet en andersom. Ze waren een sterk duo. Mijn moeder was een duizendpoot die alles regelde, voor de zaak en de familie. Ze hield alles bij elkaar. Mijn vader luisterde tijdens het harde en vele werk naar klassieke muziek. Naast het kneden van het deeg speelde hij viool.
Iedereen was welkom in de bakkerij: buren, paters, nonnen, mensen met veel en mensen met weinig. Ook de schooljeugd van Jerusalem, die het ‘kadetje koetjesreep’ en ‘unne halve werreme mik mit fritessticks’ uitvonden. Mijn moeder kwam zelf ook uit een bakkersfamilie in Oostrum. Ook haar vader, mijn opa Rutten, moest na de oorlog opnieuw beginnen. De verhalen van toen zijn verweven met hoe mijn ouders in de bakkerij werkten: met aandacht en betrokkenheid. Al vroeg waren mijn ouders voorlopers, ze werkten op bestelling en wilden geen verspilling. Ze keken vooruit, zonder de gemeenschap uit het oog te verliezen.
"Wat mijn vader deed met deeg en gebak, doe ik met verhalen en ontwikkeling: iets laten rijzen."
Naast brood werd ook het leven gedeeld
Toen mijn moeder ziek werd, stond ik vaker in de winkel. Wat ik me herinner, is de betrokkenheid van de dorpsgenoten. Mensen vroegen hoe het met haar ging. Ze bleven wat langer staan. De bakkerij was een plek waar het leven werd gedeeld, niet alleen het brood. Sommige herinneringen zijn tastbaar gebleven. De geur van versgebakken brood. Het geluid van de deur van de rijskast die dichtsloeg. De bel van de winkeldeur. Het geroezemoes van klanten in gesprek. Als kinderen liepen we er tussendoor, in de winkel en in de bakkerij. Er was altijd reuring. Venray kende een gemeenschap waarin ambacht werd gewaardeerd, en waarin mensen elkaar echt zagen. Ik kon daar als kind nog geen woorden aan geven, maar ik voelde het. Zonder het te benoemen.
Van generatie op generatie
Wat ik uit de bakkerij meeneem is niet alleen de geur van brood, maar een levenshouding. Werken met aandacht. Goed zijn voor anderen. Geen vijanden maken, maar vrienden. Het uitwisselen is gebleven. Wat mijn vader deed met deeg en gebak, doe ik met verhalen en ontwikkeling: iets laten rijzen.
Tot op de dag van vandaag werk ik in datzelfde pand. In elke ruimte is nog iets origineels te vinden. De energie van vroeger is voelbaar. De gesprekken die ooit in de winkel ontstonden, gaan nu verder in mijn praktijk. Dat ik hier mag werken, voelt als een cirkel die rond is. De bron, die ik eer, is nog steeds aanwezig.
Eindstraat 21 blijft, ook na 100 jaar, nog steeds een betekenisvolle plek van ontmoeting.
Wees welkom.